← Verriq
Typ om te zoeken in alle tekst,
formules en beschrijvingen

Wijnchemie

Een moleculair naslagwerk

Van druif tot glas — alle transformaties

↓ scroll
Startpunt

Het Smaakwiel

Primair, secundair, tertiair — van druif naar glas, chemisch verklaard

Primaire aroma's — de druif

Primair: wat de druif meebrengt

Primaire aroma's zitten in de druif zelf (of als gebonden precursors) en overleven de gisting. Ze bepalen het raskarakter — waarom Sauvignon Blanc anders ruikt dan Muscat.

Primaire aroma's → moleculaire oorsprong Smaakwiel-categorie Wat je ruikt/proeft Molecuul / stofklasse Hoofdstuk Bloemig roos, geranium, viooltje, oranjebloesem monoterpenen (linalool, geraniol, nerol) § 4.2 Muskaatachtig druif, litchi, rozenwater linalool, α-terpineol, citronellol § 4.2 Tropisch fruit passievrucht, grapefruit, guave vluchtige thiolen (3MH, 3MHA, 4MMP) § 4.3 Citrus citroen, limoen, bergamot limoneen, citral, terpeen-esters § 4.2 Groen / kruidig gras, paprika, groene bonen methoxypyrazinen (IBMP, IPMP) Peper / specerij witte peper, zwarte peper rotundone (sesquiterpeen) Rode / zwarte vrucht kers, framboos, braam, cassis norisoprenoïden (β-damascenon, β-ionon) Buxus / kattenpis buxus, ribes, kattenurine 4MMP (thiol, drempel 0,8 ng/L) § 4.3 Kleur (visueel) paarsrood, robijn, baksteenoranje anthocyanen → T-A polymeren § 1.3 Structuur / mondgevoel astringent, droog, zijdeachtig, vol proanthocyanidinen (mDP, galloylering) § 1.2 Zuurheid fris, scherp, groen, hard wijnsteenzuur, appelzuur, citroenzuur § 2.1–2.3 Methoxypyrazinen — de uitzondering IBMP (2-isobutyl-3-methoxypyrazine) is het molecuul achter "groene paprika" in Cabernet Sauvignon en Sauvignon Blanc. Extreem krachtig (drempel 2 ng/L). Concentratie daalt bij rijping door zonlicht — vandaar dat warme jaargangen minder "groen" zijn. Niet eerder behandeld, hier ingevoegd als primair aromamolecuul.
Secundaire aroma's — de gisting

Secundair: wat de gist maakt

Secundaire aroma's worden geproduceerd tijdens alcoholische en malolactische gisting. Ze zijn afhankelijk van gistras, gisttemperatuur en nutriënten — en verklaren waarom dezelfde druif met een andere gist heel anders kan ruiken.

Secundaire aroma's → moleculaire oorsprong Smaakwiel-categorie Wat je ruikt/proeft Molecuul / stofklasse Hoofdstuk Banaan / peerdrop banaan, snoep, kauwgom isoamylacetaat (acetaatester) § 4.1 Appel / peer groene appel, peer ethylacetaat (laag), hexylacetaat § 4.1 Nagellakremover aceton, nagellak, oplosmiddel ethylacetaat (hoog, >150 mg/L) § 4.1, 7.2 Boter / butterscotch boter, room, karamel diacetyl (CH₃COCOCH₃, uit MLG) § 6.3 Brood / gist / brioche vers brood, toast, brioche autolyse: mannoproteïnen, aminozuren § 6.2 Roos (gist-afgeleid) rozen, Turkse lekkernij 2-fenylethanol (hogere alcohol) § 4.5 Romig / yoghurt melkachtig, romig, yoghurt melkzuur (uit MLG) § 2.4 Warmte / body warm, vol, rond, visceus ethanol + glycerol § 3.2, 3.3 Restzoetheid zoet, honingachtig fructose (restsuiker), glycerol § 3.1, 3.3 Foezel / oplosmiddel alcohol, oplosmiddel, brandend isoamylalcohol, isobutanol (>300 mg/L) § 4.5 Gisttemperatuur is cruciaal: koel (12–16 °C) → meer acetaatesters (fruit). Warm (>20 °C) → meer hogere alcoholen (foezel).
Tertiaire aroma's — de rijping

Tertiair: wat de tijd brengt

Tertiaire aroma's ontwikkelen zich tijdens vat- en flesrijping door langzame chemische reacties: oxidatie, esterificatie, hydrolyse, polymerisatie. Ze zijn de reden waarom gerijpte wijn fundamenteel anders ruikt dan jonge wijn.

Tertiaire aroma's → moleculaire oorsprong Smaakwiel-categorie Wat je ruikt/proeft Molecuul / proces Hoofdstuk Vanille vanille, crème brûlée vanilline (uit eikenlignine) § 4.6 Kokosnoot / hout kokosnoot, cederhout, dille cis-eikenlacton (whisky-lacton) § 4.6 Kruidnagel / specerij kruidnagel, kaneel, nootmuskaat eugenol (uit eiken) § 4.6 Toast / rook / koffie geroosterd brood, espresso, rook furfural, guaiacol (toasting eiken) § 4.6 Noot / amandel walnoot, hazelnoot, amandel acetaldehyde (oxidatief), Maillard-producten § 4.4 Kerosine / petrol petroleum, kerosine (gerijpte Riesling) TDN (1,1,6-trimethyldihydronaftaleen) § 6.5 Honing / bijenwas honing, bijenwas, gedroogde abrikoos fenylacetaldehyde, sotolon (Botrytis) Leer / tabak / aarde leer, sigarenkist, bosgrond, truffel tanninepolymeren + microbieel (Brett laag) § 1.2, 7.3 Gedroogd fruit vijg, dadel, pruim, rozijn Maillard-reacties, oxidatieve veranderingen § 7.1 Sherry / noot (oxidatief) sherry, walnoot, curry, fenugreek sotolon + acetaldehyde (hoge conc.) § 4.4, 7.1 Zachter mondgevoel zijde, fluweel, geïntegreerd tanninepolymerisatie (↑ mDP, T-A complexen) § 1.2, 6.5 Kleurevolutie paars → robijn → granaat → baksteen vrije anthocyaan → pyranoanthocyaan / vitisine § 1.3, 6.5 Vatrijping (oxidatief): vanille, toast, specerij, noot. Flesrijping (reductief): petrol, leer, gedroogd fruit, zachter tannine. Sommige geuren zijn context-afhankelijk: acetaldehyde = fout in tafelwijn, signatuur in Fino Sherry.
Deel I

Polyfenolen

De structuurmoleculen die kleur, mondgevoel en houdbaarheid bepalen

1.1 — Flavan-3-olen

Catechine & Epicatechine

De flavan-3-olen zijn de monomere bouwblokken van alle druiventannines. De twee belangrijkste isomeren zijn (+)-catechine en (–)-epicatechine. Ze delen dezelfde brutoformule C15H14O6 maar verschillen in de ruimtelijke oriëntatie van de OH-groep op C3.

(+)-Catechine O HO OH OH trans (2R,3S) OH OH A C B C4 (–)-Epicatechine O HO OH OH cis (2R,3R) OH OH A C B Enig verschil: stereochemie OH op C3 (trans vs. cis). Epicatechine domineert in druivenschillen.

Brutoformule: C₁₅H₁₄O₆ — MW ≈ 290 g/mol

In de druif

Monomeren zitten in schillen, pitten en steeltjes. Pitten bevatten vooral catechine; schillen meer epicatechine. Gallocatechine (met extra OH op de B-ring) komt voor in schillen en geeft zachtere tannines.

In de wijn

Vrije monomeren zijn het meest astringent — klein genoeg om gemakkelijk aan speekseleiwitten te binden. Naarmate ze polymeriseren neemt de astringentie af. Gallocatechine-eenheden in polymeren verlagen de astringentie extra.

1.2 — Gecondenseerde tannines

Proanthocyanidinen

Wanneer catechine- en epicatechine-eenheden aan elkaar koppelen via C4→C8 of C4→C6 bindingen, ontstaan proanthocyanidinen — de gecondenseerde tannines die verantwoordelijk zijn voor structuur en mondgevoel. De naam komt van het feit dat ze bij verhitting in zuur milieu anthocyanidinen (kleurpigmenten) vrijgeven.

Procyanidine B1 — dimeer (epicatechine-(4β→8)-catechine) boveneenheid (extensie) O HO OH OH OH OH 4 C4→C8 interflavan-binding ondereenheid (terminaal) 8 O HO OH OH OH OH Polymerisatiegraad Monomeer (n=1) Dimeer (n=2) Trimeer (n=3) Polymeer (n>10) → zachter → neerslag

Dimeer MW ≈ 578 g/mol. In wijn komen ketens voor van n=2 tot n>50.

De gemiddelde polymerisatiegraad (mean degree of polymerization, mDP) is een van de belangrijkste parameters voor tanninekarakter. Pittannines hebben typisch een mDP van 2–4; schiltannines van 10–40. Hoe hoger de mDP, hoe zachter het mondgevoel — tot het punt waarop de polymeren onoplosbaar worden en als sediment neerslaan.

1.3 — Kleurpigmenten

Anthocyanen

Anthocyanen zijn de rode, blauwe en paarse pigmenten in druivenschillen. In Vitis vinifera komen ze uitsluitend voor als 3-O-glucosiden van vijf anthocyanidinen. Malvidine-3-glucoside domineert (50–90% van totaal).

Het flavyliumkation O⁺ A C B HO OH O-Glc R3' OH R5' De vijf anthocyanidinen: Naam R3' R5' Kleur Aandeel MalvidineOCH₃OCH₃blauwrood50–90% PeonidineOCH₃Hrood5–15% DelfinidineOHOHblauwpaars5–15% PetunidineOCH₃OHpaars5–10% CyanidineOHHoranjerood1–5%

Het flavyliumkation is pH-afhankelijk: rood bij lage pH, kleurloos bij hogere pH

De kleur is sterk pH-afhankelijk. In wijn (pH 3,2–3,8) bestaat slechts 20–30% in de gekleurde flavyliumvorm. De rest is kleurloos (carbinol-pseudobase) of lichtgeel (chalcone). Copigmentatie met tannines en flavonolen verschuift het evenwicht naar de gekleurde vorm — vandaar dat jonge wijn intenser gekleurd is dan je op basis van pH alleen zou verwachten.

1.4 — UV-beschermers & copigmenten

Flavonolen

Flavonolen (quercetine, myricetine, kaempferol) fungeren in de druif als zonnebrand — ze beschermen tegen UV-straling. In wijn spelen ze een cruciale rol als copigmenten: ze stapelen zich op anthocyanen en verschuiven de kleur naar blauwer en intensiever (bathochrome shift).

Quercetine O O OH OH OH OH OH C₁₅H₁₀O₇ — MW ≈ 302 g/mol Vlak molecuul: keton op C4 + dubbele binding C2=C3 → ideaal voor π-stacking met anthocyanen

Quercetine: vlak molecuul dat als copigment op anthocyanen 'stapelt'

1.5 — Niet-flavonoïde fenolen

Hydroxykaneelzuren

De hydroxykaneelzuren — koffiezuur, p-coumaarzuur en ferulinezuur — komen voor als esters met wijnsteenzuur (caftaarzuur, coutaarzuur, fertaarzuur). Ze zijn het belangrijkste substraat voor enzymatische oxidatie (bruinkleuring) en dienen als copigmenten.

Koffiezuur O OH HO HO C₉H₈O₄ p-Coumaarzuur O OH HO C₉H₈O₃ Ferulinezuur O OH HO CH₃O C₁₀H₁₀O₄

Hydroxykaneelzuren: het substraat voor enzymatische bruinkleuring in most

1.6 — Fytolexinen

Stilbenen (Resveratrol)

Resveratrol C14H12O3 is een fytolexine die de druif produceert als verdediging tegen schimmelinfectie (met name Botrytis). Het komt voor in trans- en cis-vorm, en als glucoside (piceïd). Concentraties in wijn zijn laag (1–10 mg/L), maar het molecuul kreeg bekendheid door de "French Paradox"-hypothese.

trans-Resveratrol OH HO OH C₁₄H₁₂O₃ — MW ≈ 228 g/mol

Twee fenolringen verbonden door een ethyleenbrug

Deel II

Zuren

De ruggengraat van frisheid, stabiliteit en microbiologisch evenwicht

2.1 — Het karakteristieke druivenzuur

Wijnsteenzuur

Wijnsteenzuur C4H6O6 is uniek aan druiven — bijna geen andere vrucht bevat het in significante hoeveelheden. Het is het sterkste zuur in wijn (pKa₁ = 2,98) en daarmee de voornaamste buffer voor de pH. Concentratie: 2–6 g/L. Smaak: scherp, helder zuur — minder agressief dan citroenzuur, meer "hard" en mineraal. Het geeft wijn zijn ruggengraat van frisheid zonder overheersend scherp te worden.

L-(+)-Wijnsteenzuur O HO OH H OH H O OH HOOC–CH(OH)–CH(OH)–COOH pKa₁ = 2,98 · pKa₂ = 4,34 · MW = 150 g/mol Vormt kristallen (kaliumbitartraat) bij koude — het bekende "depot" op de kurk

Twee carboxylgroepen, twee hydroxylgroepen — sterk zuur, goede buffer

Tijdens bewaring kan wijnsteenzuur uitkristalliseren als kaliumbitartraat (KHC₄H₄O₆) — de kristallen op de kurk of bodem. Dit verlaagt de totaalzuurgraad en verhoogt licht de pH. Koude-stabilisatie in de kelder versnelt dit proces bewust.

2.2 — Het scherpe zuur

Appelzuur

L-appelzuur C4H6O5 geeft een scherpe, groene zuurheid. Smaak: denk aan een onrijpe groene appel (granny smith) — bijterig, puntig, fris maar agressief. Het is het primaire substraat van de malolactische gisting, waarbij het omgezet wordt in het zachtere melkzuur.

L-Appelzuur HOOC CH₂ OH CH COOH HOOC–CH₂–CH(OH)–COOH pKa₁ = 3,40 · pKa₂ = 5,11 · MW = 134 g/mol · 1–8 g/L in druiven

Eén OH minder dan wijnsteenzuur, maar het scherpste smaakprofiel

2.3 — Tricarbonzuur

Citroenzuur

Citroenzuur C6H8O7 komt in kleine hoeveelheden voor (0,5–1 g/L). Smaak: citrusachtig fris, meer "sappig" dan wijnsteenzuur — denk aan citroen. Drie carboxylgroepen, centraal metabolisch tussenproduct. Melkzuurbacteriën kunnen het omzetten in azijnzuur en diacetyl — reden waarom MLG soms extra vluchtig zuur geeft.

Citroenzuur OH COOH H₂C HOOC CH₂ COOH pKa₁ = 3,13 · pKa₂ = 4,76 · pKa₃ = 6,40 · MW = 192 g/mol

Drie carboxylgroepen: het sterkste organische zuur qua eerste dissociatie

2.4 — Het zachte zuur

Melkzuur

L-melkzuur C3H6O3 ontstaat door malolactische gisting: Oenococcus oeni zet appelzuur om in melkzuur + CO₂. Smaak: zacht, romig, melkachtig zuur — denk aan yoghurt of karnemelk. Veel minder puntig dan appelzuur. Het resultaat is een zachter, ronder mondgevoel — melkzuur is zwakker (pKa 3,86 vs 3,40) én heeft maar één carboxylgroep.

Appelzuur HOOCCH₂ OHCHCOOH Oenococcus oeni decarboxylatie Melkzuur CH₃ OHCH COOH + CO₂ ↑ C₄H₆O₅ → C₃H₆O₃ + CO₂ · Melkzuur pKa = 3,86 · MW = 90 g/mol

Malolactische gisting: decarboxylatie van twee-COOH naar één-COOH

2.5 — Vluchtig zuur

Azijnzuur

Azijnzuur CH3COOH is het voornaamste vluchtige zuur. Geur: azijn, scherp, prikkelend in de neus. Smaak: zuur met een brandende, bijtende scherpte — anders dan de "schone" zuurheid van wijnsteenzuur. Kleine hoeveelheden (0,2–0,6 g/L) zijn normaal en voegen zelfs een zekere levendigheid toe; boven ~0,8 g/L wordt het een fout. Ontstaat als bijproduct van gisting, door Acetobacter, of door Brettanomyces.

Azijnzuur CH₃ O OH CH₃COOH · pKa = 4,76 · MW = 60 · vluchtig: drempel ≈ 0,7 g/L

Je ruikt het voordat je het proeft

2.6 — Gistingsproduct

Barnsteenzuur

Barnsteenzuur (succinaat) C4H6O4 wordt gevormd tijdens alcoholische gisting. Smaak: een ongewone combinatie van bitter, zoutig en licht zuur tegelijk — soms omschreven als "umami-achtig". Het voegt een diepte toe die moeilijk te benoemen is maar merkbaar wanneer het ontbreekt. Concentratie: 0,5–1,5 g/L. Resistent tegen bacteriële afbraak.

Barnsteenzuur HOOCCH₂CH₂COOH HOOC–CH₂–CH₂–COOH · pKa₁ = 4,21 · MW = 118 · Zelfde skelet als appelzuur maar zonder OH

Bijdrage aan body en een subtiele bitter-zoute toon

Deel III

Suikers & Alcohol

Van energie in de druif tot warmte in het glas

3.1 — De gistbare suikers

Glucose & Fructose

Druivenmost bevat gelijke hoeveelheden D-glucose en D-fructose (samen 150–300 g/L). Gist vergist glucose sneller — restsuiker is overwegend fructose, die ~1,7× zoeter smaakt.

β-D-Glucose (pyranose) O OHOH OHOH HOCH₂ C₆H₁₂O₆ · MW = 180 β-D-Fructose (furanose) O HOCH₂OH OHOH C₆H₁₂O₆ · 1,7× zoeter Gisting: C₆H₁₂O₆ →2 C₂H₅OH+ 2 CO₂ ↑

~17 g/L suiker → 1% alcohol

3.2 — Het hoofdproduct

Ethanol

Ethanol C₂H₅OH — na water het meest voorkomend (8–16% vol). Smaak: zoet en warm, met een branderig gevoel in de keel (trigeminaal, niet eigenlijk smaak). Bij hoge concentraties (>14%) kan het de neus "verdoven" en de fruitperceptie maskeren. Bij lagere concentraties draagt het bij aan body, rondheid en een lichte zoetheid. Beïnvloedt daarnaast de vluchtigheid van aroma's, en is substraat voor estervorming en oxidatie tot acetaldehyde.

Ethanol CH₃ CH₂ OH MW = 46 · kpt 78,4 °C · dichtheid 0,789

Oplosmiddel, smaakdrager, reactant

3.3 — De textuurmaker

Glycerol

Glycerol C₃H₈O₃ is het belangrijkste bijproduct van gisting na ethanol en CO₂ (4–15 g/L, meer bij hogere gisttemperatuur en bij Botrytis-wijnen tot 20+ g/L). Drie hydroxylgroepen maken het stroperig en hygroscopisch.

Smaak: puur glycerol smaakt zoet en olieachtig, met een warme, licht visceuze mondvulling. In wijn ligt de waarnemingsdrempel rond 5 g/L. Erboven draagt het bij aan het gevoel van body en rondheid — niet zozeer als zoetheid (daarvoor is de drempel te hoog ten opzichte van suikers), maar als textuur: de wijn voelt "voller" en "gladder" in de mond.

De "benen" of "tranen" op het glasoppervlak worden vaak aan glycerol toegeschreven, maar dat klopt niet. Ze ontstaan door het Marangoni-effect: ethanol verdampt sneller aan de dunne film wijn die langs het glas omhoog kruipt. Daardoor stijgt daar de oppervlaktespanning (want water heeft hogere oppervlaktespanning dan ethanol), waardoor de vloeistof omhoog wordt getrokken en vervolgens als druppels terugloopt. Dikkere benen = meer alcohol, niet meer glycerol.

Glycerol HOCH₂ OH CH CH₂OH Sensorisch profiel Smaak:zoet, olieachtig, warm Textuur:rond, vol, glad, visceus Drempel:~5,2 g/L in witte wijn Concentratie:4–15 g/L (Botrytis: 20+) HOCH₂–CH(OH)–CH₂OH · MW = 92 · "Benen" in het glas = Marangoni-effect (ethanol), niet glycerol

Drie hydroxylgroepen: niet zoet genoeg om te proeven als suiker, wel vol genoeg om te voelen als textuur

3.4 — De ongewenste neef

Methanol

Methanol CH₃OH — ontstaat door enzymatische afbraak van pectine (pectine-methylesterase) tijdens maceratie. Rode wijn: 100–250 mg/L, witte wijn: 40–100 mg/L (langer schilcontact = meer pectine-afbraak = meer methanol).

Die concentraties zijn onschadelijk, en wel om twee redenen. Ten eerste: de toxische dosis methanol voor een volwassene ligt rond 10–30 mL (~8.000–24.000 mg). Bij 250 mg/L zou je 30–100 liter wijn moeten drinken — de ethanol is dan al lang fataal. Ten tweede, en belangrijker: ethanol is het tegengif voor methanolvergiftiging. Beide concurreren om hetzelfde enzym (alcoholdehydrogenase). In wijn is er een ~400:1 overmaat ethanol ten opzichte van methanol, waardoor het methanol nauwelijks wordt omgezet in de giftige metabolieten formaldehyde en mierenzuur. Ziekenhuizen behandelen methanolvergiftiging letterlijk met ethanol-infuus (of fomepizol).

De beruchte methanolschandalen (Italië 1986, Tsjechië 2012) betroffen illegaal gedistilleerde drank of bewust bijgemengde industriële methanol — nooit wijn zelf. Bij distillatie concentreert methanol zich in de "voorloop", en zonder de beschermende ethanol-overmaat wordt het dodelijk.

Methanol CH₃ OH Waarom onschadelijk in wijn: Methanol in rode wijn: ~250 mg/L Ethanol in rode wijn: ~100.000 mg/L Verhouding: ~1:400 → ethanol blokkeert metabolisme van methanol Toxische dosis: 8.000–24.000 mg methanol = 30–100 liter wijn in één sessie

Eén koolstof verschil met ethanol — maar ethanol beschermt je ertegen

Deel IV

Aroma & Smaak

De vluchtige verbindingen die wijn tot een ervaring maken

4.1 — Fruitige geuren

Esters

Esters ontstaan door condensatie van een zuur met een alcohol. Twee hoofdtypen: ethylesters (ethanol + vetzuur) en acetaatesters (azijnzuur + hogere alcohol). Acetaatesters domineren in jonge wijn (fruit); ethylesters nemen toe bij flesrijping (complexiteit).

Ethylacetaat CH₃ O C O CH₂CH₃ nagellak (hoog) / fruitig (laag) Isoamylacetaat CH₃ O C O (CH₂)₂CH(CH₃)₂ banaan / peerdrop Estervorming: R–COOH + HO–R' R–COO–R'+ H₂O Evenwichtsreactie — verschuift jaren lang langzaam in de fles

Jong = acetaatesters (fruit), oud = ethylesters (complexiteit)

4.2 — Bloemen & muskaat

Terpenen

Monoterpenen — de aromamoleculen achter bloemige geuren van Muscat, Gewürztraminer, Riesling. Belangrijkste: linalool (bloemen, 25 µg/L drempel), geraniol (roos, 30 µg/L) en α-terpineol (lelie). In de druif grotendeels gebonden aan suikers (glycosiden); enzymatische of zure hydrolyse maakt ze vrij.

Linalool (C₁₀H₁₈O) (CH₃)₂C=CH–CH₂– OH C(CH₃)=CH₂ bloemen, lavendel Geraniol (C₁₀H₁₈O) (CH₃)₂C=CH–CH₂–CH₂– OH CH=C(CH₃) roos, geranium Terpeen–O–Glucose Vrij terpeen + glucose(hydrolyse bij rijping)

Gebonden reservoir in de druif, langzame vrijgave bij rijping

4.3 — Tropisch fruit

Vluchtige Thiolen

Vluchtige thiolen (zwavelhoudend) geven tropische aroma's aan Sauvignon Blanc. Sleutelmoleculen: 4MMP (buxus, 0,8 ng/L drempel!), 3MH (passievrucht, grapefruit, 60 ng/L) en 3MHA (acetaatester van 3MH). Extreem krachtig — actief in nanogram-concentraties. In de druif gebonden aan cysteïne of glutathion; gist bevrijdt ze tijdens gisting.

3MH (3-mercaptohexanol) CH₃–CH₂–CH₂– SH CH–CH₂–CH₂OH passievrucht, grapefruit · drempel 60 ng/L 4MMP CH₃–CO–CH₂– SH CH–CH₃ buxus, kattenpis · drempel 0,8 ng/L (!)

De krachtigste aromamoleculen in wijn — actief in delen per triljoen

4.4 — Oxidatieproducten

Aldehyden

Acetaldehyde CH₃CHO is het belangrijkste aldehyde (15–40 mg/L in tafelwijn, tot 700 mg/L in Sherry). Het ontstaat door oxidatie van ethanol en is een sleutelmolecuul: het vormt bruggen tussen tannines (zie Deel I), bindt SO₂ (waardoor vrij SO₂ afneemt), en geeft in hoge concentraties een appelachtige, nootachtige geur. In Fino Sherry is het — beschermd door florlaag — de signatuurgeur.

Acetaldehyde (ethanal) CH₃ O CH CH₃CHO · MW = 44 · oxidatieproduct van ethanol · bindt SO₂

Bruggenbouwer (tannines), SO₂-vanger, Sherry-signatuur

4.5 — Foezelolie

Hogere Alcoholen

Hogere alcoholen (foezelolieën) zijn alcoholen met meer dan 2 koolstofatomen, gevormd door gist uit aminozuren (Ehrlich-pathway) of uit suikermetabolisme. De belangrijkste: isoamylalcohol (whisky, soldaat), 2-fenylethanol (rozen), isobutanol (oplosmiddel). Tot ~300 mg/L dragen ze bij aan complexiteit; daarboven worden ze als fout ervaren.

Isoamylalcohol (CH₃)₂CH–CH₂–CH₂OH whisky, banaan · meest voorkomend 2-Fenylethanol C₆H₅–CH₂–CH₂OH rozen · gewenst aroma Isobutanol (CH₃)₂CH–CH₂OH oplosmiddel · ongewenst hoog

Ehrlich-pathway: aminozuur → α-ketozuur → aldehyde → hogere alcohol

4.6 — Eikenhout

Lactonen & Vatcomponenten

Eikenrijping voegt een reeks verbindingen toe. cis-Eikenlacton (whisky-lacton) geeft kokosnoot/hout. Vanilline (uit lignine) geeft vanille. Eugenol geeft kruidnagel. Furfural en guaiacol (uit toasting) geven toast/rook. De mate van toasting bepaalt sterk welke verbindingen domineren: licht toast = meer lacton, zwaar toast = meer guaiacol en furfural.

Vanilline 4-OH-3-OCH₃-C₆H₃-CHO vanille · drempel 60 µg/L cis-Eikenlacton β-methyl-γ-octalacton kokosnoot · drempel 20 µg/L Eugenol 4-allyl-2-methoxyfenol kruidnagel · drempel 6 µg/L Licht toast → lacton dominant · Medium → vanilline · Zwaar → guaiacol, furfural (rook, toast)

Nieuw eiken levert meer extractie dan gebruikt eiken — effect neemt af na 3–4 vullingen

Deel V

Zwavel & Mineralen

Bescherming en terroir op moleculair niveau

5.1 — De conservator

Zwaveldioxide (SO₂)

SO₂ is het belangrijkste conserveermiddel in wijn — al duizenden jaren. Het werkt als antioxidant (vangt zuurstofradicalen) en als antimicrobieel middel (remt ongewenste bacteriën en gisten). In wijn bestaat het in drie vormen: moleculair SO₂ (actief antimicrobieel), bisulfiet HSO₃⁻ (antioxidant, bindt acetaldehyde), en sulfiet SO₃²⁻. De verdeling is pH-afhankelijk — bij wijn-pH (3,2–3,8) is het merendeel bisulfiet.

Moleculair SO₂ O S O antimicrobieel ~0,5–0,8 mg/L nodig +H₂O Bisulfiet HSO₃⁻ HO S O O⁻ antioxidant dominant bij wijn-pH Sulfiet SO₃²⁻ ⁻O S O O⁻ verwaarloosbaar bij wijn-pH Binding aan acetaldehyde: HSO₃⁻ + CH₃CHO → CH₃CH(OH)SO₃⁻ (gebonden SO₂ — niet meer actief)

Totaal SO₂ = vrij (moleculair + bisulfiet + sulfiet) + gebonden. Wettelijke limieten: 150–200 mg/L totaal.

5.2 — Terroir-markers?

Minerale Zouten

Wijn bevat 2–4 g/L minerale stoffen: kalium (meest, 500–1500 mg/L), calcium, magnesium, ijzer, koper, fosfaat, sulfaat, chloride. Kalium is cruciaal — het vormt kaliumbitartraat met wijnsteenzuur en beïnvloedt de pH sterk. IJzer en koper katalyseren oxidatiereacties en kunnen in hoge concentraties troebeling veroorzaken (koperkas, ijzerkas). Het romantische idee dat je "mineralen uit de bodem proeft" is chemisch nauwelijks houdbaar — de concentraties zijn ver onder smaakdrempels. De "mineralige" smaaksensatie heeft waarschijnlijk meer te maken met zuurheid, textuur en het ontbreken van fruit dan met daadwerkelijke mineralen.

K⁺500–1500 mg/L · pH-beïnvloeding, bitartraat Ca²⁺50–150 mg/L · calciumtartraat kristallen Fe²⁺/³⁺2–8 mg/L · oxidatiekatalysator, ijzerkas >7 mg/L Cu²⁺0,1–0,5 mg/L · oxidatiekatalysator, koperkas >0,5 mg/L, bindt H₂S Mg²⁺50–100 mg/L · bitter bijsmaak PO₄³⁻voedingsstof voor gist SO₄²⁻uit bodem en SO₂-toevoeging Cl⁻ziltig, kustnabijheid

Kalium is de dominante kation — en bepaalt mede de pH van wijn

Deel VI

Transformaties

Hoe elke fase het chemische profiel herschikt

6.1 — De wijngaard

Druifrijping

Bij véraison (kleurverandering) start een cascade van chemische verschuivingen die het karakter van de wijn voorbestemmen.

Chemisch profiel tijdens druifrijping Tijd → véraison Suikers ↑ Zuren ↓ Tannines Anthocyanen Aroma-precursors Groene druif: hoog zuur, laag suiker, onrijpe tannines, geen kleur Rijpe druif: hoog suiker, lager zuur, gepolymeriseerde tannines, volle kleur

Oogstmoment = compromis: zuurgraad vs. suiker vs. fenolische rijpheid vs. aromatische rijpheid

De belangrijkste verschuivingen: suikers stijgen exponentieel (fotosynthese → sucrose → glucose + fructose). Appelzuur daalt sterk (respiratie, vooral bij warmte). Wijnsteenzuur daalt minder (stabiel). Tannines polymeriseren in de schil (zachter), maar pittannines blijven kort-keten. Anthocyanen bereiken een piek en dalen soms bij overrijpheid. Aromaprecursors (terpeen-glycosiden, thiol-conjugaten) accumuleren laat in de rijping.

6.2 — Saccharomyces aan het werk

Alcoholische Gisting

De alcoholische gisting is de meest drastische transformatie: suikersethanol + CO₂. Maar er gebeurt veel meer. Gist produceert honderden bijproducten.

Wat ontstaat

Ethanol (hoofdproduct), glycerol (3–15 g/L), esters (fruit-aroma), hogere alcoholen (via Ehrlich-pathway), barnsteenzuur, acetaldehyde (tussenproduct, deels gebonden aan SO₂), CO₂, warmte.

Wat verandert

Tannines worden geëxtraheerd uit schillen/pitten door ethanol (beter oplosmiddel dan water). Anthocyanen lossen op. pH stijgt licht door kaliumvrijgave. Thiolen worden vrijgemaakt uit cysteïne-conjugaten door gist. Terpenen worden deels vrijgemaakt uit glycosiden.

6.3 — De tweede gisting

Malolactische Gisting

Appelzuur → Melkzuur + CO₂ door Oenococcus oeni. Effecten: lagere totaalzuurgraad, hogere pH (~0,1–0,3 eenheden), zachter mondgevoel, productie van diacetyl CH₃COCOCH₃ (boter, butterscotch — gewenst in Chardonnay, ongewenst in Riesling). Risico: als citroenzuur ook wordt afgebroken, ontstaat extra azijnzuur.

Appelzuur (scherp, groen) O. oeni Melkzuur (zacht, romig)+ CO₂ Bijproduct: diacetyl (CH₃–CO–CO–CH₃) → boter/butterscotch aroma

Standaard bij rode wijn, optioneel bij wit — afhankelijk van stijlkeuze

6.4 — Eik & zuurstof

Vatrijping

Eikenvatten bieden twee dingen: extractie van houtcomponenten en micro-oxygenatie door de poriën.

Extractie uit eiken

Vanilline (vanille), eikenlacton (kokosnoot), eugenol (kruidnagel), furfural (amandel, toast), guaiacol (rook). Ellagitannines (hydrolyseerbare tannines uit hout) — deze zijn anders dan druiventannines en fungeren als antioxidant. Frans eiken geeft meer ellagitannine en fijnere aromaten; Amerikaans eiken meer lacton (kokosnoot) en vanilline.

Micro-oxygenatie

Langzame zuurstoftoevoer (~2–5 mg O₂/L/maand door het hout) drijft de acetaldehyde-gemedieerde polymerisatie van tannines aan. Tannine–anthocyaan complexen worden gevormd (kleurstabilisatie). Acetaldehyde fungeert als brugmolecuul. Ethanoloxidatie levert ook azijnzuur — vandaar het risico van overmatige beluchting.

6.5 — In de fles

Flesrijping

Flesrijping verloopt in een reductief milieu (vrijwel geen zuurstof, tenzij schroefdop vs. kurk). De veranderingen zijn langzamer maar cumulatief over jaren.

Tannines & Kleur

Directe condensatie gaat door (C4→C8), maar langzamer zonder acetaldehyde. Polymeren groeien, worden zachter, vallen uiteindelijk als sediment neer. Kleur verschuift van paarsrood → robijnrood → baksteenoranje door de vorming van stabiele tannine-anthocyaan pigmenten (pyranoanthocyanen, vitisinen).

Aroma-evolutie

Acetaatesters (banaan, peerdrop) hydrolyseren langzaam → afname fruitigheid. Ethylesters vormen zich (complexiteit). Terpenen isomeriseren: linalool → α-terpineol → 1,8-cineol (meer "petroleumachtig" — typisch voor gerijpte Riesling). Thiolen oxideren en verdwijnen — vandaar dat Sauvignon Blanc beter jong gedronken wordt. Vorming van TDN (1,1,6-trimethyl-1,2-dihydronaftaleen) — de "kerosine" noot in oude Riesling, uit carotenoïden.

De snelheid van flesrijping hangt sterk af van de sluiting: kurk laat ~1–2 mg O₂/jaar door, schroefdop ~0,5 mg of minder. Dit verklaart waarom dezelfde wijn onder verschillende sluitingen heel anders kan evolueren.

Deel VII

Wijnfouten

Wanneer chemie de verkeerde kant op gaat

7.1 — Te veel zuurstof

Oxidatie

Oxidatie is de meest voorkomende wijnfout. Zuurstof oxideert ethanol tot acetaldehyde (appelachtig, nootachtig) en verder tot azijnzuur. Polyfenolen polymeriseren ongecontroleerd — witte wijn wordt donkergeel/bruin, rode wijn verliest kleur. De reactieketen wordt gekatalyseerd door ijzer en koper (Fentonreactie). SO₂ is de primaire bescherming.

Ethanol [O₂, Fe²⁺] Acetaldehyde [O₂] Azijnzuur CH₃CH₂OH → CH₃CHO → CH₃COOH Herkenning: bruine kleur, vlakke neus, sherryachtige tonen (ongewenst), azijnprik

Preventie: SO₂, minimale luchtblootstelling, goede sluiting

7.2 — Azijn

Vluchtig Zuur (VA)

Vluchtig zuur is voornamelijk azijnzuur + zijn ester ethylacetaat. Bronnen: Acetobacter (aërobe bacteriën op beschadigde druiven), Brettanomyces, of stressgisting. Azijnzuur is vluchtig — je ruikt het al bij lagere concentraties dan je het proeft. Drempel: ~0,7 g/L azijnzuur, ~150 mg/L ethylacetaat (nagellakremover).

Ethanol Acetobacter + O₂ Azijnzuur + Ethanol Ethylacetaat + H₂O Herkenning: azijnprik in neus, nagellakremover, scherpe zuurheid

Geen remedie in de fles — preventie door hygiëne en SO₂

7.3 — De beruchte gist

Brettanomyces

Brettanomyces bruxellensis is een wilde gist die hydroxykaneelzuren (koffiezuur, p-coumaarzuur) omzet in vluchtige fenolen: 4-ethylfenol (4-EP, paardenzweet, pleister) en 4-ethylguaiacol (4-EG, rook, kruidnagel). In lage concentraties kan het complexiteit toevoegen ("funky"), maar boven ~400 µg/L 4-EP wordt het als fout beschouwd.

p-Coumaarzuur Brett 4-Vinylfenol 4-Ethylfenol (4-EP) paardenzweet, pleister Koffiezuur 4-Vinylguaiacol 4-Ethylguaiacol (4-EG) rook, kruidnagel Brett overleeft in vaten en is moeilijk te elimineren — preventie door hygiëne, SO₂, en filtering

Drempel: ~400 µg/L 4-EP. Sommige wijnmakers accepteren lage niveaus als "terroir".

7.4 — De kurkvloek

Kurksmet (TCA)

2,4,6-Trichloranisol (TCA) C₆H₂Cl₃OCH₃ is het molecuul achter kurksmet. Het wordt geproduceerd door schimmels die chloorverbindingen in kurk methyleren. Extreem krachtig: waarneembaar vanaf ~2 ng/L (delen per triljoen). TCA onderdrukt geur — het maakt de wijn "vlak" en voegt een vochtig-kartonachtige toon toe. Het molecuul zelf is niet schadelijk, alleen sensorisch verwoestend.

2,4,6-Trichloranisol (TCA) Cl Cl Cl H₃CO Drempel ~2 ng/L · treft ~2–5% van kurk-gesloten flessen · geen remedie

Drie chlooratomen op een anisol-ring: onzichtbaar, geurloos in zuivere vorm, verwoestend in wijn

7.5 — Gesloten neus

Reductie

Reductie ontstaat wanneer gist onder stress zwavelverbindingen produceert. Het spectrum loopt van waterstofsulfide H₂S (rotte eieren, drempel 1 µg/L) via mercaptanen (methanthiol CH₃SH, ui, rubber) tot disulfiden (dimethyldisulfide, knoflook). H₂S is relatief eenvoudig te verhelpen met koper (Cu²⁺ + H₂S → CuS↓) of beluchting. Mercaptanen en disulfiden zijn hardnekkiger.

H₂S(rotte eieren) [oxidatie] CH₃SH(methanthiol, ui) CH₃SSCH₃(dimethyldisulfide, knoflook) Oorzaken: stikstoftekort gist, hoge SO₂ bij gisting, reductief wijnmaken, lage-O₂ sluiting Remedie: beluchting (karaf), kopertoevoeging (bindt H₂S als CuS↓)

Lichte reductie kan na beluchting verdwijnen — ernstige mercaptanen vaak niet

7.6 — Het mysterieuze defect

Muisje (Mousiness)

Mousiness is een toenemend probleem, vooral in natural wines met weinig of geen SO₂. Het wordt veroorzaakt door melkzuurbacteriën (Lactobacillus) en soms Brettanomyces die 2-acetyltetrahydropyridine (ACTPY) en verwante verbindingen produceren. Het bijzondere: je ruikt het niet in het glas — de moleculen zijn niet vluchtig bij wijn-pH. Pas in de mond, waar pH stijgt door speeksel, worden ze vluchtig en neem je een "muizige", crackerachtige nasmaak waar. Er is geen remedie.

ACTPY(2-acetyltetrahydropyridine) APY(2-acetylpyrroline) Bijzonder: niet vluchtig bij wijn-pH → je ruikt het niet in het glas Wel vluchtig bij speeksel-pH → neem je pas waar als retronasal aroma in de mond Oorzaken: lage SO₂, hoge pH, Lactobacillus, soms Brett · Geen remedie · Toenemend in natural wine

Test: wrijf een druppel wijn op je handrug, wacht 30 sec, ruik — dan is de pH verhoogd en ruik je het wel

Wijnchemie — Een Moleculair Naslagwerk
Vereenvoudigde schematische weergaven. Werkelijke polyfenol-, aroma- en fermentatiechemie is aanzienlijk complexer.
Bronnen: Ribéreau-Gayon et al., Handbook of Enology; Waterhouse et al., Understanding Wine Chemistry; Jackson, Wine Science.